Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Plurals always get -e

An adjective before a plural noun always ends in -e.

  1. De ___ huizen staan aan de kade. (mooi)
  2. Ik koop twee ___ schoenen. (nieuw)
  3. Wij kijken naar ___ mensen op de markt. (oud)
  4. Zij heeft drie ___ boeken. (dik)
  5. De ___ kinderen spelen in de tuin. (aardig)
  6. Onze ___ fietsen zijn allemaal kapot. (oud)
  7. De ___ bloemen in de tuin zijn mooi. (wild)
  8. Er liggen ___ bladeren op de grond. (droog)
  9. De twee ___ ramen van het huis zijn stuk. (kapot)
  10. Twee ___ vrienden komen vanavond. (aardig)
  11. Wij lezen ___ verhalen op school. (spannend)
  12. Er staan ___ hoge bomen in de tuin. (hoog)