A1 · Adjectives & articles
een + het-word: no -e
After een or geen + het-word the adjective stays short.
- Ik woon in een ___ huis. (groot)
- Wij zoeken een ___ auto. (oud)
- Het is een ___ idee. (dom)
- Ik heb geen ___ fiets. (nieuw)
- Zij heeft een ___ dochter. (klein)
- Er is een ___ park in de stad. (mooi)
- Wij eten in een ___ restaurant. (goedkoop)
- Hij heeft geen ___ excuses. (mooi)
- Dit is een ___ boek. (dik)
- Ik koop een ___ jurk. (lang)
- Wij zitten in een ___ kamer. (zonnig)
- Er is geen ___ probleem. (groot)