Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

een + het-word: no -e

After een or geen + het-word the adjective stays short.

  1. Ik woon in een ___ huis. (groot)
  2. Wij zoeken een ___ auto. (oud)
  3. Het is een ___ idee. (dom)
  4. Ik heb geen ___ fiets. (nieuw)
  5. Zij heeft een ___ dochter. (klein)
  6. Er is een ___ park in de stad. (mooi)
  7. Wij eten in een ___ restaurant. (goedkoop)
  8. Hij heeft geen ___ excuses. (mooi)
  9. Dit is een ___ boek. (dik)
  10. Ik koop een ___ jurk. (lang)
  11. Wij zitten in een ___ kamer. (zonnig)
  12. Er is geen ___ probleem. (groot)