Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Er is / er zijn with an adjective

Adjectives in sentences that start with Er is or Er zijn.

  1. Er is een ___ park in de stad. (mooi)
  2. Er is een ___ museum in dit dorp. (oud)
  3. Er is een ___ bushalte bij ons. (nieuw)
  4. Er is een ___ winkel op de hoek. (klein)
  5. Er is ___ water in de fles. (koud)
  6. Er is een ___ fout in de tekst. (groot)
  7. Er is een ___ reden voor de vertraging. (goed)
  8. Er is een ___ oplossing voor dit probleem. (eenvoudig)
  9. Er is een ___ stoel bij het raam. (leuk)
  10. Er is een ___ probleem met de computer. (groot)
  11. Er is een ___ baan bij het station. (vrij)
  12. Er is een ___ restaurant bij het station. (goedkoop)