Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: size and length

Groot and klein, lang and kort, wide and narrow.

  1. De kamer is heel ___. (groot)
  2. Ik zoek een ___ huis. (klein)
  3. Mijn ___ tas is te zwaar. (zwaar)
  4. Zij heeft een ___ haar. (lang)
  5. Deze broek is te ___. (kort)
  6. Het brood is heel ___. (dik)
  7. Er staat een ___ boom in de tuin. (hoog)
  8. Hij heeft een ___ snor. (lang)
  9. De afstand is heel ___. (lang)
  10. Er ligt een ___ steen op de weg. (zwaar)
  11. Deze straat is heel ___. (smal)
  12. Het dier is heel ___. (klein)