Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: good and bad

Goed and slecht, mooi and lelijk, blij en verdrietig.

  1. De winkel is heel ___. (goed)
  2. Er is een ___ museum in de stad. (goed)
  3. Mijn Nederlands is niet ___. (goed)
  4. Ik heb een ___ jurk. (lelijk)
  5. De schoenen zijn ___. (lelijk)
  6. Hij is ___, hij lacht de hele dag. (blij)
  7. Zij is ___, want haar kat is dood. (verdrietig)
  8. Wij hebben een ___ taart. (lekker)
  9. Die cake is echt ___. (lekker)
  10. De muur is ___ en de vloer ook. (wit)
  11. Ik ben niet ___ met het antwoord. (blij)
  12. Mijn broer is een ___ kerel. (aardig)