A1 · Adjectives & articles
Opposites: good and bad
Goed and slecht, mooi and lelijk, blij en verdrietig.
- De winkel is heel ___. (goed)
- Er is een ___ museum in de stad. (goed)
- Mijn Nederlands is niet ___. (goed)
- Ik heb een ___ jurk. (lelijk)
- De schoenen zijn ___. (lelijk)
- Hij is ___, hij lacht de hele dag. (blij)
- Zij is ___, want haar kat is dood. (verdrietig)
- Wij hebben een ___ taart. (lekker)
- Die cake is echt ___. (lekker)
- De muur is ___ en de vloer ook. (wit)
- Ik ben niet ___ met het antwoord. (blij)
- Mijn broer is een ___ kerel. (aardig)