Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: hot and cold

Warm and koud, heet and koel, in the house and on the body.

  1. De thee is te ___ om te drinken. (heet)
  2. De soep is nog ___. (warm)
  3. Het water in de zwemmer is ___. (koud)
  4. Ik heb ___ handen. (koud)
  5. Mijn broer heeft ___ voeten. (koud)
  6. De kamer is ___. (koel)
  7. Het is ___ buiten. (koud)
  8. Zij draagt een ___ winterjas. (warm)
  9. De zon is ___ vandaag. (warm)
  10. Wij zoeken een ___ plek om te zitten. (koel)
  11. De wind is ___ in november. (koud)
  12. Mijn handen zijn ___ na het fietsen. (koud)