A1 · Adjectives & articles
Opposites: hot and cold
Warm and koud, heet and koel, in the house and on the body.
- De thee is te ___ om te drinken. (heet)
- De soep is nog ___. (warm)
- Het water in de zwemmer is ___. (koud)
- Ik heb ___ handen. (koud)
- Mijn broer heeft ___ voeten. (koud)
- De kamer is ___. (koel)
- Het is ___ buiten. (koud)
- Zij draagt een ___ winterjas. (warm)
- De zon is ___ vandaag. (warm)
- Wij zoeken een ___ plek om te zitten. (koel)
- De wind is ___ in november. (koud)
- Mijn handen zijn ___ na het fietsen. (koud)