A1 · Adjectives & articles
Colours: rood, blauw, groen en geel
Colours work like other adjectives: -e or no -e.
- De ___ bus rijdt naar het station. (rood)
- Ik heb een ___ jas. (blauw)
- Het huis is ___. (groen)
- Wij drinken ___ koffie. (zwart)
- Er staat een ___ tafel in de kamer. (wit)
- Zij heeft ___ haar. (blond)
- De bladeren zijn ___ in de herfst. (geel)
- Ik zoek een ___ rok. (oranje)
- De muren zijn ___. (grijs)
- Mijn vader rijdt in een ___ auto. (grijs)
- De fiets is ___, de motor ook. (rood)
- Er ligt een ___ sjaal op de bank. (paars)