Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Colours: rood, blauw, groen en geel

Colours work like other adjectives: -e or no -e.

  1. De ___ bus rijdt naar het station. (rood)
  2. Ik heb een ___ jas. (blauw)
  3. Het huis is ___. (groen)
  4. Wij drinken ___ koffie. (zwart)
  5. Er staat een ___ tafel in de kamer. (wit)
  6. Zij heeft ___ haar. (blond)
  7. De bladeren zijn ___ in de herfst. (geel)
  8. Ik zoek een ___ rok. (oranje)
  9. De muren zijn ___. (grijs)
  10. Mijn vader rijdt in een ___ auto. (grijs)
  11. De fiets is ___, de motor ook. (rood)
  12. Er ligt een ___ sjaal op de bank. (paars)