A1 · Adjectives & articles
Opposites: old and new
Oud and nieuw, jong and oud, and the -e that goes with them.
- Mijn grootvader is heel ___. (oud)
- Dit is een ___ huis uit 1890. (oud)
- Hij heeft een ___ fiets. (nieuw)
- Zij koopt een ___ jas. (oud)
- Deze boeken zijn allemaal ___. (nieuw)
- Mijn dochter is nog heel ___. (jong)
- Er ligt een ___ boek op tafel. (oud)
- Wij wonen in een ___ huis. (oud)
- De fietsen zijn ___. (nieuw)
- Hij draagt een ___ jas. (oud)
- Mijn oma is ___, maar haar zus is jonger. (oud)
- Een ___ kind speelt in de tuin. (jong)