Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: old and new

Oud and nieuw, jong and oud, and the -e that goes with them.

  1. Mijn grootvader is heel ___. (oud)
  2. Dit is een ___ huis uit 1890. (oud)
  3. Hij heeft een ___ fiets. (nieuw)
  4. Zij koopt een ___ jas. (oud)
  5. Deze boeken zijn allemaal ___. (nieuw)
  6. Mijn dochter is nog heel ___. (jong)
  7. Er ligt een ___ boek op tafel. (oud)
  8. Wij wonen in een ___ huis. (oud)
  9. De fietsen zijn ___. (nieuw)
  10. Hij draagt een ___ jas. (oud)
  11. Mijn oma is ___, maar haar zus is jonger. (oud)
  12. Een ___ kind speelt in de tuin. (jong)