A1 · Adjectives & articles
Opposites: fast and slow
Snel and langzaam, and the -e before a de-word.
- De trein is heel ___. (snel)
- De fietser is ___. (langzaam)
- Ik heb een ___ motor. (snel)
- Die hond is ___. (langzaam)
- Mijn computer is heel ___. (snel)
- Wij hebben een ___ bus naar Schiphol. (snel)
- Hij loopt ___ naar school. (langzaam)
- De vlucht met het vliegtuig is ___. (snel)
- De muizen zijn heel ___ op deze computer. (traag)
- De reactie van de arts was ___. (snel)
- Een ___ machine in de fabriek. (snel)
- De kinderen liepen ___ over het plein. (langzaam)