Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: fast and slow

Snel and langzaam, and the -e before a de-word.

  1. De trein is heel ___. (snel)
  2. De fietser is ___. (langzaam)
  3. Ik heb een ___ motor. (snel)
  4. Die hond is ___. (langzaam)
  5. Mijn computer is heel ___. (snel)
  6. Wij hebben een ___ bus naar Schiphol. (snel)
  7. Hij loopt ___ naar school. (langzaam)
  8. De vlucht met het vliegtuig is ___. (snel)
  9. De muizen zijn heel ___ op deze computer. (traag)
  10. De reactie van de arts was ___. (snel)
  11. Een ___ machine in de fabriek. (snel)
  12. De kinderen liepen ___ over het plein. (langzaam)