Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: high and low

Hoog and laag, for prices, buildings, voices and lamps.

  1. De prijs is heel ___. (hoog)
  2. Wij zitten op een ___ stoel. (laag)
  3. Het gebouw is heel ___. (hoog)
  4. Mijn vader heeft een ___ stem. (laag)
  5. De temperatuur is ___. (laag)
  6. Er hangt een ___ lamp boven de tafel. (hoog)
  7. Ik woon in een ___ flat. (laag)
  8. Zij heeft ___ hakken. (hoog)
  9. De snelheid is te ___. (hoog)
  10. Dit is een ___ huis met drie verdiepingen. (hoog)
  11. De prijzen zijn ___. (laag)
  12. Deze ___ muur is heel oud. (hoog)