A1 · Adjectives & articles
Opposites: high and low
Hoog and laag, for prices, buildings, voices and lamps.
- De prijs is heel ___. (hoog)
- Wij zitten op een ___ stoel. (laag)
- Het gebouw is heel ___. (hoog)
- Mijn vader heeft een ___ stem. (laag)
- De temperatuur is ___. (laag)
- Er hangt een ___ lamp boven de tafel. (hoog)
- Ik woon in een ___ flat. (laag)
- Zij heeft ___ hakken. (hoog)
- De snelheid is te ___. (hoog)
- Dit is een ___ huis met drie verdiepingen. (hoog)
- De prijzen zijn ___. (laag)
- Deze ___ muur is heel oud. (hoog)