Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: dik and dun, breed and smal

Dik and dun, breed and smal, and the shape of things.

  1. Het boek is heel ___. (dik)
  2. De draad is ___. (dun)
  3. Ik heb een ___ bijbel. (dik)
  4. De weg is heel ___. (breed)
  5. Mijn vader draagt een ___ riem. (breed)
  6. Zij heeft ___ enkels. (dun)
  7. Het blad is heel ___. (dun)
  8. Deze stoel is te ___ voor mij. (smal)
  9. Er staan twee ___ palen bij de weg. (dik)
  10. Deze jurk is te ___ voor jou. (breed)
  11. Mijn vingers zijn heel ___. (dun)
  12. De ___ rivier stroomt langs het dorp. (breed)