Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Adjectives of sound

Loud, soft, noisy and quiet.

  1. De radio speelt heel ___. (luid)
  2. Hij heeft een ___ stem. (hard)
  3. Mijn buurman heeft een ___ hond. (luid)
  4. De zaal is heel ___. (stil)
  5. Ik hoor een ___ geluid in de tuin. (raar)
  6. De kinderen zijn ___ vandaag. (luid)
  7. Hij praat met een ___ stem. (zacht)
  8. De muziek is heel ___. (luid)
  9. Er was een ___ ongeluk op de snelweg. (ernstig)
  10. De bel gaat met een ___ geluid. (scherp)
  11. Wij willen een ___ plek om te eten. (stil)
  12. Het is 's avonds heel ___ in de straat. (stil)