A1 · Adjectives & articles
Adjectives of sound
Loud, soft, noisy and quiet.
- De radio speelt heel ___. (luid)
- Hij heeft een ___ stem. (hard)
- Mijn buurman heeft een ___ hond. (luid)
- De zaal is heel ___. (stil)
- Ik hoor een ___ geluid in de tuin. (raar)
- De kinderen zijn ___ vandaag. (luid)
- Hij praat met een ___ stem. (zacht)
- De muziek is heel ___. (luid)
- Er was een ___ ongeluk op de snelweg. (ernstig)
- De bel gaat met een ___ geluid. (scherp)
- Wij willen een ___ plek om te eten. (stil)
- Het is 's avonds heel ___ in de straat. (stil)