Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Adjectives of smell

Lekker ruiken, vies ruiken and fresh air.

  1. De bloemen ruiken heel ___. (lekker)
  2. Het huis ___ naar oude rook. (ruiken)
  3. De lucht is heel ___. (fris)
  4. Wij hebben een ___ tuin met veel bloemen. (fris)
  5. De kelder ___ naar schimmel. (ruiken)
  6. Zij vond het eten ___. (lekker)
  7. Deze keuken is heel ___. (vies)
  8. Er is een ___ geur in de kamer. (zoet)
  9. De man ___ naar zweet. (ruiken)
  10. Ik ruik iets ___. (raar)
  11. De tuin is heel ___. (fris)
  12. De geur is heel ___. (sterk)