A1 · Adjectives & articles
The weather
Sunny, rainy, windy, cloudy and warm days.
- Vandaag is het heel ___. (zonnig)
- Wij hebben een ___ dag gehad. (zonnig)
- Het is heel ___ vandaag. (regenachtig)
- Er waait een ___ wind vandaag. (sterk)
- De lucht is ___. (bewolkt)
- Het is vandaag heel ___. (koud)
- Morgen wordt het ___. (warm)
- In juli is het altijd ___. (warm)
- Wij blijven thuis, het is te ___. (regenachtig)
- De winter was heel ___. (koud)
- Het onweer was heel ___. (zwaar)
- In het hoogland is het vaak ___. (koud)