Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

The weather

Sunny, rainy, windy, cloudy and warm days.

  1. Vandaag is het heel ___. (zonnig)
  2. Wij hebben een ___ dag gehad. (zonnig)
  3. Het is heel ___ vandaag. (regenachtig)
  4. Er waait een ___ wind vandaag. (sterk)
  5. De lucht is ___. (bewolkt)
  6. Het is vandaag heel ___. (koud)
  7. Morgen wordt het ___. (warm)
  8. In juli is het altijd ___. (warm)
  9. Wij blijven thuis, het is te ___. (regenachtig)
  10. De winter was heel ___. (koud)
  11. Het onweer was heel ___. (zwaar)
  12. In het hoogland is het vaak ___. (koud)