Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Clothes

Nieuw, oud, warm and the clothes we wear.

  1. Ik heb een ___ jas gekocht. (nieuw)
  2. Mijn broer draagt een ___ pak. (zwart)
  3. Deze schoenen zijn te ___. (klein)
  4. Zij draagt een ___ rok. (mooi)
  5. Ik zoek een ___ T-shirt. (wit)
  6. Deze broek is heel ___. (koud)
  7. Mijn jas is ___, ik koop een nieuwe. (oud)
  8. Zij heeft een ___ sjaal om haar nek. (warm)
  9. De schoenen van mijn dochter zijn ___. (klein)
  10. Ik heb een ___ pet op. (nieuw)
  11. Deze jurk is heel ___. (mooi)
  12. Hij draagt een ___ das van wol. (dik)