A1 · Adjectives & articles
Clothes
Nieuw, oud, warm and the clothes we wear.
- Ik heb een ___ jas gekocht. (nieuw)
- Mijn broer draagt een ___ pak. (zwart)
- Deze schoenen zijn te ___. (klein)
- Zij draagt een ___ rok. (mooi)
- Ik zoek een ___ T-shirt. (wit)
- Deze broek is heel ___. (koud)
- Mijn jas is ___, ik koop een nieuwe. (oud)
- Zij heeft een ___ sjaal om haar nek. (warm)
- De schoenen van mijn dochter zijn ___. (klein)
- Ik heb een ___ pet op. (nieuw)
- Deze jurk is heel ___. (mooi)
- Hij draagt een ___ das van wol. (dik)