Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

In and around the house

Describing the rooms and the furniture at home.

  1. Wij wonen in een ___ huis. (mooi)
  2. De ___ kamer is achter de keuken. (groot)
  3. Het ___ raam kijkt uit op de tuin. (breed)
  4. Mijn moeder maakt de ___ vloer schoon. (vies)
  5. De keuken is klein maar ___. (gezellig)
  6. Er staat een ___ kast in de gang. (oud)
  7. Het bed is heel ___. (zacht)
  8. De tafel in de eetkamer is ___ van hout. (groot)
  9. Wij hebben een ___ balkon met veel bloemen. (klein)
  10. De badkamer is heel ___. (schoon)
  11. Er hangt een ___ lamp boven de tafel. (mooi)
  12. De deur van de keuken is ___. (wit)