A1 · Adjectives & articles
In and around the house
Describing the rooms and the furniture at home.
- Wij wonen in een ___ huis. (mooi)
- De ___ kamer is achter de keuken. (groot)
- Het ___ raam kijkt uit op de tuin. (breed)
- Mijn moeder maakt de ___ vloer schoon. (vies)
- De keuken is klein maar ___. (gezellig)
- Er staat een ___ kast in de gang. (oud)
- Het bed is heel ___. (zacht)
- De tafel in de eetkamer is ___ van hout. (groot)
- Wij hebben een ___ balkon met veel bloemen. (klein)
- De badkamer is heel ___. (schoon)
- Er hangt een ___ lamp boven de tafel. (mooi)
- De deur van de keuken is ___. (wit)