Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

At school

The classroom, the teacher and the lessons.

  1. Onze klas heeft ___ leerlingen. (veel)
  2. De juf geeft een ___ les. (duidelijk)
  3. Wij zitten in een ___ lokaal. (groot)
  4. Het huiswerk is heel ___. (moeilijk)
  5. Mijn dochter heeft een ___ juf. (aardig)
  6. De school is ___ en het plein is leeg. (oud)
  7. Ik moet een ___ toets maken. (moeilijk)
  8. Wij krijgen een ___ pauze. (lang)
  9. De leerlingen zijn vandaag heel ___. (druk)
  10. Ik zoek een ___ boek over dieren. (goed)
  11. Er is een ___ tafel voor de juf. (breed)
  12. Mijn broer vindt school heel ___. (leuk)