A1 · Adjectives & articles
At school
The classroom, the teacher and the lessons.
- Onze klas heeft ___ leerlingen. (veel)
- De juf geeft een ___ les. (duidelijk)
- Wij zitten in een ___ lokaal. (groot)
- Het huiswerk is heel ___. (moeilijk)
- Mijn dochter heeft een ___ juf. (aardig)
- De school is ___ en het plein is leeg. (oud)
- Ik moet een ___ toets maken. (moeilijk)
- Wij krijgen een ___ pauze. (lang)
- De leerlingen zijn vandaag heel ___. (druk)
- Ik zoek een ___ boek over dieren. (goed)
- Er is een ___ tafel voor de juf. (breed)
- Mijn broer vindt school heel ___. (leuk)