Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

The body

Head, hands, eyes and the rest of the body.

  1. Zij heeft ___ haar. (lang)
  2. Hij heeft ___ ogen en een kleine neus. (groot)
  3. Mijn handen zijn heel ___. (koud)
  4. Hij heeft een ___ been. (klein)
  5. De wangen van de baby zijn heel ___. (zacht)
  6. Zij heeft zwart haar en ___ ogen. (bruin)
  7. Mijn vader heeft een ___ hoofd. (kaal)
  8. Wij hebben ___ vingers op elke hand. (tien)
  9. Deze jongen is heel ___. (sterk)
  10. Mijn been doet ___ pijn. (erg)
  11. Zij heeft een ___ nek en lange armen. (kort)
  12. Ik heb ___ pijn in mijn been. (veel)