A1 · Adjectives & articles
The body
Head, hands, eyes and the rest of the body.
- Zij heeft ___ haar. (lang)
- Hij heeft ___ ogen en een kleine neus. (groot)
- Mijn handen zijn heel ___. (koud)
- Hij heeft een ___ been. (klein)
- De wangen van de baby zijn heel ___. (zacht)
- Zij heeft zwart haar en ___ ogen. (bruin)
- Mijn vader heeft een ___ hoofd. (kaal)
- Wij hebben ___ vingers op elke hand. (tien)
- Deze jongen is heel ___. (sterk)
- Mijn been doet ___ pijn. (erg)
- Zij heeft een ___ nek en lange armen. (kort)
- Ik heb ___ pijn in mijn been. (veel)