A1 · Adjectives & articles
The family
Father, mother, brother, sister and the people you love.
- Mijn moeder is 42 jaar ___. (oud)
- Mijn moeder is een ___ vrouw. (aardig)
- Mijn broer is de ___ in de klas. (oudste)
- We hebben een ___ dochter. (lief)
- Mijn kindje is negen maanden ___. (oud)
- Onze oma is heel ___. (lief)
- Mijn oom is een ___ man. (grappig)
- Zij heeft ___ ogen, net als haar moeder. (bruin)
- Wij zijn een ___ gezin. (groot)
- Mijn zus heeft twee ___ kinderen. (klein)
- Haar man is niet ___. (oud)
- De vader van ons is een ___ man. (oud)