Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

The family

Father, mother, brother, sister and the people you love.

  1. Mijn moeder is 42 jaar ___. (oud)
  2. Mijn moeder is een ___ vrouw. (aardig)
  3. Mijn broer is de ___ in de klas. (oudste)
  4. We hebben een ___ dochter. (lief)
  5. Mijn kindje is negen maanden ___. (oud)
  6. Onze oma is heel ___. (lief)
  7. Mijn oom is een ___ man. (grappig)
  8. Zij heeft ___ ogen, net als haar moeder. (bruin)
  9. Wij zijn een ___ gezin. (groot)
  10. Mijn zus heeft twee ___ kinderen. (klein)
  11. Haar man is niet ___. (oud)
  12. De vader van ons is een ___ man. (oud)