Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

The city

Streets, squares, shops and traffic in town.

  1. De straat in het centrum is heel ___. (druk)
  2. Er staat een ___ kerk op het plein. (oud)
  3. Het verkeer in Amsterdam is vaak ___. (druk)
  4. Er zijn veel ___ winkels in de stad. (goedkoop)
  5. De tram naar het station is ___. (vol)
  6. Het plein is mooi op een ___ dag. (zonnig)
  7. Onze stad is klein maar ___. (mooi)
  8. De huizen aan de gracht zijn heel ___. (smal)
  9. Er ligt een ___ parkje naast de school. (klein)
  10. De fietsers zijn ___, er is geen plek meer. (druk)
  11. Wij zoeken een ___ restaurant in het centrum. (goedkoop)
  12. De brug over het water is heel ___. (oud)