A1 · Adjectives & articles
The city
Streets, squares, shops and traffic in town.
- De straat in het centrum is heel ___. (druk)
- Er staat een ___ kerk op het plein. (oud)
- Het verkeer in Amsterdam is vaak ___. (druk)
- Er zijn veel ___ winkels in de stad. (goedkoop)
- De tram naar het station is ___. (vol)
- Het plein is mooi op een ___ dag. (zonnig)
- Onze stad is klein maar ___. (mooi)
- De huizen aan de gracht zijn heel ___. (smal)
- Er ligt een ___ parkje naast de school. (klein)
- De fietsers zijn ___, er is geen plek meer. (druk)
- Wij zoeken een ___ restaurant in het centrum. (goedkoop)
- De brug over het water is heel ___. (oud)