A1 · Adjectives & articles
In the countryside
Fields, woods, farms and the Dutch landscape.
- Wij lopen door een ___ bos. (oud)
- De boerderij van de familie is heel ___. (groot)
- Over het ___ gras loopt een hond. (groen)
- Het dorp is heel ___. (klein)
- Er staan veel zwart-witte ___ in de weide. (koeien)
- Wij hebben een ___ uitzicht over het landschap. (mooi)
- De molen is een ___ gebouw. (oud)
- In het voorjaar zijn de weilanden heel ___. (groen)
- Er ligt een ___ paadje door het gras. (smal)
- De veerboot vaart naar het ___ eiland. (klein)
- Mijn opa heeft een ___ boerderij. (klein)
- Het gras in de tuin is heel ___. (droog)