Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

In the countryside

Fields, woods, farms and the Dutch landscape.

  1. Wij lopen door een ___ bos. (oud)
  2. De boerderij van de familie is heel ___. (groot)
  3. Over het ___ gras loopt een hond. (groen)
  4. Het dorp is heel ___. (klein)
  5. Er staan veel zwart-witte ___ in de weide. (koeien)
  6. Wij hebben een ___ uitzicht over het landschap. (mooi)
  7. De molen is een ___ gebouw. (oud)
  8. In het voorjaar zijn de weilanden heel ___. (groen)
  9. Er ligt een ___ paadje door het gras. (smal)
  10. De veerboot vaart naar het ___ eiland. (klein)
  11. Mijn opa heeft een ___ boerderij. (klein)
  12. Het gras in de tuin is heel ___. (droog)