Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Comparing with -er

Groter, sneller, ouder: the comparative before a noun.

  1. Deze kamer is ___ dan die kamer. (groot)
  2. Mijn fiets is ___ dan die van Tom. (nieuw)
  3. Deze straat is ___ dan die in het dorp. (breed)
  4. Hij heeft een ___ huis dan ik. (oud)
  5. Wij zitten in een ___ zaal dan vorig jaar. (groot)
  6. Deze bus is ___ dan de trein. (snel)
  7. Mijn broer is ___ dan ik. (jong)
  8. De prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
  9. Onze klas heeft een ___ meester dan vorig jaar. (streng)
  10. De auto van de buurman is ___ dan de onze. (duur)
  11. Er is een ___ tuin achter het huis. (groot)
  12. Het is hier ___ dan in huis. (koud)