A1 · Adjectives & articles
Comparing with -er
Groter, sneller, ouder: the comparative before a noun.
- Deze kamer is ___ dan die kamer. (groot)
- Mijn fiets is ___ dan die van Tom. (nieuw)
- Deze straat is ___ dan die in het dorp. (breed)
- Hij heeft een ___ huis dan ik. (oud)
- Wij zitten in een ___ zaal dan vorig jaar. (groot)
- Deze bus is ___ dan de trein. (snel)
- Mijn broer is ___ dan ik. (jong)
- De prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
- Onze klas heeft een ___ meester dan vorig jaar. (streng)
- De auto van de buurman is ___ dan de onze. (duur)
- Er is een ___ tuin achter het huis. (groot)
- Het is hier ___ dan in huis. (koud)