Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Heel, erg, zeer and other intensifiers

Making an adjective stronger: heel, erg, zeer, echt.

  1. De bloemen zijn heel ___. (mooi)
  2. Het is hier erg ___. (koud)
  3. Wij vinden het eten zeer ___. (lekker)
  4. Dit is echt een ___ idee! (dom)
  5. Het nieuws is echt ___. (spannend)
  6. De prijs is ontzettend ___. (hoog)
  7. Mijn dochter is heel ___ met haar Nederlands. (trots)
  8. Hij is werkelijk ___ in rekenen. (slim)
  9. Het is vandaag werkelijk ___. (prachtig)
  10. Deze bakker is echt ___. (goed)
  11. Wij vinden het huis heel ___. (gezellig)
  12. Hij praat heel ___ over zijn vak. (verzot)