A1 · Adjectives & articles
Heel, erg, zeer and other intensifiers
Making an adjective stronger: heel, erg, zeer, echt.
- De bloemen zijn heel ___. (mooi)
- Het is hier erg ___. (koud)
- Wij vinden het eten zeer ___. (lekker)
- Dit is echt een ___ idee! (dom)
- Het nieuws is echt ___. (spannend)
- De prijs is ontzettend ___. (hoog)
- Mijn dochter is heel ___ met haar Nederlands. (trots)
- Hij is werkelijk ___ in rekenen. (slim)
- Het is vandaag werkelijk ___. (prachtig)
- Deze bakker is echt ___. (goed)
- Wij vinden het huis heel ___. (gezellig)
- Hij praat heel ___ over zijn vak. (verzot)