Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Zo + adjective

So + adjective, and what follows zo.

  1. De jas is zo ___. (warm)
  2. Wij hebben het zo ___. (koud)
  3. Mijn broer is zo ___. (sterk)
  4. De keuken is zo ___. (klein)
  5. De bus was zo ___, wij stonden stil. (vol)
  6. Hij is zo ___, hij heeft geen vrienden. (aardig)
  7. De bakker was zo ___, er was geen brood meer. (druk)
  8. Hij is zo ___, hij is de snelste. (snel)
  9. Mijn zoon is zo ___, hij is pas drie. (klein)
  10. De prijs is zo ___, ik koop het niet. (hoog)
  11. Wij zagen een ___ schip op de rivier. (groot)
  12. Het was zo ___, wij gingen naar huis. (donker)