A1 · Adjectives & articles
Zo + adjective
So + adjective, and what follows zo.
- De jas is zo ___. (warm)
- Wij hebben het zo ___. (koud)
- Mijn broer is zo ___. (sterk)
- De keuken is zo ___. (klein)
- De bus was zo ___, wij stonden stil. (vol)
- Hij is zo ___, hij heeft geen vrienden. (aardig)
- De bakker was zo ___, er was geen brood meer. (druk)
- Hij is zo ___, hij is de snelste. (snel)
- Mijn zoon is zo ___, hij is pas drie. (klein)
- De prijs is zo ___, ik koop het niet. (hoog)
- Wij zagen een ___ schip op de rivier. (groot)
- Het was zo ___, wij gingen naar huis. (donker)