Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Two adjectives with en

Oud en nieuw, mooi en goed: two adjectives side by side.

  1. Wij hebben een oud en ___ huis. (nieuw)
  2. De schoenen zijn vies en ___. (lelijk)
  3. Hij is een aardige en ___ man. (slim)
  4. De kamer is groot en ___. (licht)
  5. Het is een lekker en ___ taart. (groot)
  6. Mijn vriendin is mooi en ___. (grappig)
  7. Wij zoeken een goedkope en ___ woning. (rustig)
  8. De broek is nieuw en ___. (duur)
  9. Het boek is spannend en ___. (moeilijk)
  10. Zij heeft een oude en ___ vriend. (grappig)
  11. De kinderen zijn blij en ___. (moe)
  12. Wij drinken zwarte en ___ koffie. (sterk)