A1 · Adjectives & articles
Two adjectives with en
Oud en nieuw, mooi en goed: two adjectives side by side.
- Wij hebben een oud en ___ huis. (nieuw)
- De schoenen zijn vies en ___. (lelijk)
- Hij is een aardige en ___ man. (slim)
- De kamer is groot en ___. (licht)
- Het is een lekker en ___ taart. (groot)
- Mijn vriendin is mooi en ___. (grappig)
- Wij zoeken een goedkope en ___ woning. (rustig)
- De broek is nieuw en ___. (duur)
- Het boek is spannend en ___. (moeilijk)
- Zij heeft een oude en ___ vriend. (grappig)
- De kinderen zijn blij en ___. (moe)
- Wij drinken zwarte en ___ koffie. (sterk)