A1 · Adjectives & articles
Niet and geen with an adjective
Not good, no good: niet and geen before an adjective.
- De winkel is niet ___. (goed)
- Het is geen ___ idee. (slecht)
- De bus is niet ___, er zitten veel mensen in. (leeg)
- Er is geen ___ bus. (vrij)
- Hij is niet ___, hij doet zijn best. (lui)
- Wij hebben geen ___ tijd. (vrij)
- Het is geen ___ weer vandaag. (slecht)
- Mijn broek is niet ___. (nieuw)
- Er is geen ___ parkeerplaats. (vrij)
- Ik ben niet ___, ik ben alleen moe. (blij)
- Dat is geen ___ probleem, het werkt goed. (groot)
- Het is niet ___, het is koud. (warm)