Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Niet and geen with an adjective

Not good, no good: niet and geen before an adjective.

  1. De winkel is niet ___. (goed)
  2. Het is geen ___ idee. (slecht)
  3. De bus is niet ___, er zitten veel mensen in. (leeg)
  4. Er is geen ___ bus. (vrij)
  5. Hij is niet ___, hij doet zijn best. (lui)
  6. Wij hebben geen ___ tijd. (vrij)
  7. Het is geen ___ weer vandaag. (slecht)
  8. Mijn broek is niet ___. (nieuw)
  9. Er is geen ___ parkeerplaats. (vrij)
  10. Ik ben niet ___, ik ben alleen moe. (blij)
  11. Dat is geen ___ probleem, het werkt goed. (groot)
  12. Het is niet ___, het is koud. (warm)