Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Adjectives of material

Houten, metalen, glazen: what things are made of.

  1. Er staat een ___ tafel in de keuken. (houten)
  2. Ik drink uit een ___ beker. (glazen)
  3. De ___ vloer is mooi. (houten)
  4. Zij heeft een ___ ring aan haar vinger. (gouden)
  5. Zij draagt een ___ trui. (wollen)
  6. Wij kopen een ___ bank. (lederen)
  7. Hij draagt een ___ shirt. (katoenen)
  8. De pan is van ___. (ijzeren)
  9. Er is een ___ muur om de tuin. (stenen)
  10. Zij draagt een ___ jurk. (zijden)
  11. De deur is van ___. (metalen)
  12. Wij hebben een ___ tafel van steen. (stenen)