A1 · Adjectives & articles
Adjectives of material
Houten, metalen, glazen: what things are made of.
- Er staat een ___ tafel in de keuken. (houten)
- Ik drink uit een ___ beker. (glazen)
- De ___ vloer is mooi. (houten)
- Zij heeft een ___ ring aan haar vinger. (gouden)
- Zij draagt een ___ trui. (wollen)
- Wij kopen een ___ bank. (lederen)
- Hij draagt een ___ shirt. (katoenen)
- De pan is van ___. (ijzeren)
- Er is een ___ muur om de tuin. (stenen)
- Zij draagt een ___ jurk. (zijden)
- De deur is van ___. (metalen)
- Wij hebben een ___ tafel van steen. (stenen)