Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Opposites: blij en boos

Blij, boos, verdrietig, bang and other feelings.

  1. Hij is heel ___. (blij)
  2. De man is heel ___. (boos)
  3. Wij hebben een ___ klant vandaag. (boos)
  4. Het kind is ___, want het regent. (verdrietig)
  5. Ik ben heel ___, er is niemand thuis. (bang)
  6. De zee is vandaag heel ___. (kalm)
  7. Wij zijn ___ met het resultaat. (tevreden)
  8. De toeschouwers waren heel ___. (verbaasd)
  9. Mijn moeder is ___ op mij. (trots)
  10. Hij voelt zich heel ___. (zenuwachtig)
  11. De ___ soldaat kreeg een medaille. (moedig)
  12. Haar oma is heel ___, zij lacht veel. (vrolijk)