Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

The street and the buildings

Describing houses, doors, windows and the street.

  1. De ___ deur van het huis is blauw. (oud)
  2. Het ___ raam kijkt uit op de straat. (breed)
  3. De gevel van de kerk is heel ___. (oud)
  4. Wij lopen over het ___ trottoir. (smal)
  5. De huizen in deze straat zijn heel ___. (geel)
  6. Er is een ___ winkel op de hoek. (klein)
  7. De stoep is ___ met bladeren. (vol)
  8. Het gebouw heeft een ___ ingang. (breed)
  9. Wij wonen in een ___ buurt. (rustig)
  10. De deur en de ramen zijn ___. (oud)
  11. Er staat een ___ lamp voor de deur. (oud)
  12. Het dak van de boerderij is heel ___. (oud)