A1 · Adjectives & articles
The street and the buildings
Describing houses, doors, windows and the street.
- De ___ deur van het huis is blauw. (oud)
- Het ___ raam kijkt uit op de straat. (breed)
- De gevel van de kerk is heel ___. (oud)
- Wij lopen over het ___ trottoir. (smal)
- De huizen in deze straat zijn heel ___. (geel)
- Er is een ___ winkel op de hoek. (klein)
- De stoep is ___ met bladeren. (vol)
- Het gebouw heeft een ___ ingang. (breed)
- Wij wonen in een ___ buurt. (rustig)
- De deur en de ramen zijn ___. (oud)
- Er staat een ___ lamp voor de deur. (oud)
- Het dak van de boerderij is heel ___. (oud)