Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Work and jobs

Bureau, baan, werk and how a job is.

  1. Hij heeft een ___ baan bij een bank. (druk)
  2. Wij werken in een klein ___. (bureau)
  3. Mijn collega is heel ___. (aardig)
  4. De klant was ___ met ons werk. (tevreden)
  5. Wij zoeken een ___ baan voor de zomer. (leuk)
  6. Mijn broer heeft een ___ week. (druk)
  7. De vergadering was heel ___. (lang)
  8. Ik heb een ___ artikel geschreven. (moeilijk)
  9. De ___ baan begint om negen uur. (nieuw)
  10. Onze firma zoekt een ___ medewerker. (ervaren)
  11. Hij werkt ___ in de ochtend. (hard)
  12. De ___ chef van het restaurant is aardig. (nieuw)