A1 · Adjectives & articles
Work and jobs
Bureau, baan, werk and how a job is.
- Hij heeft een ___ baan bij een bank. (druk)
- Wij werken in een klein ___. (bureau)
- Mijn collega is heel ___. (aardig)
- De klant was ___ met ons werk. (tevreden)
- Wij zoeken een ___ baan voor de zomer. (leuk)
- Mijn broer heeft een ___ week. (druk)
- De vergadering was heel ___. (lang)
- Ik heb een ___ artikel geschreven. (moeilijk)
- De ___ baan begint om negen uur. (nieuw)
- Onze firma zoekt een ___ medewerker. (ervaren)
- Hij werkt ___ in de ochtend. (hard)
- De ___ chef van het restaurant is aardig. (nieuw)