A1 · Adjectives & articles
On holiday and on the road
Vakantie, hotel, vliegtuig and the journey.
- Wij gaan met het ___ naar Spanje. (vliegtuig)
- Het ___ is vlak bij het station. (hotel)
- Wij maken een ___ reis naar Rome. (lang)
- Mijn koffer is heel ___. (zwaar)
- De vakantie was heel ___. (duur)
- Er is een ___ uitzicht vanuit het hotel. (mooi)
- Wij zitten in een ___ bus naar Schiphol. (comfortabel)
- Deze reis is te ___ voor ons. (duur)
- Mijn bagage is ___. (zwaar)
- Het strand is heel ___ vandaag. (vol)
- Wij boekten een ___ kamer voor drie nachten. (rustig)
- De terugreis was ___, de weg was dicht. (lang)