Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

On holiday and on the road

Vakantie, hotel, vliegtuig and the journey.

  1. Wij gaan met het ___ naar Spanje. (vliegtuig)
  2. Het ___ is vlak bij het station. (hotel)
  3. Wij maken een ___ reis naar Rome. (lang)
  4. Mijn koffer is heel ___. (zwaar)
  5. De vakantie was heel ___. (duur)
  6. Er is een ___ uitzicht vanuit het hotel. (mooi)
  7. Wij zitten in een ___ bus naar Schiphol. (comfortabel)
  8. Deze reis is te ___ voor ons. (duur)
  9. Mijn bagage is ___. (zwaar)
  10. Het strand is heel ___ vandaag. (vol)
  11. Wij boekten een ___ kamer voor drie nachten. (rustig)
  12. De terugreis was ___, de weg was dicht. (lang)