Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Free time and hobbies

Sport, muziek, film and other things we like to do.

  1. Hij speelt elke dag ___. (voetbal)
  2. Wij luisteren naar ___ muziek. (klassiek)
  3. De ___ was echt spannend. (film)
  4. Mijn broer heeft een ___ hobby. (duur)
  5. Wij spelen samen een ___ spel. (leuk)
  6. Zij zingt heel ___. (mooi)
  7. Wij gaan vaak naar het zwembad, het is daar heel ___. (druk)
  8. De toneelclub is elke dinsdag ___. (open)
  9. Wij hebben een ___ avond met vrienden. (gezellig)
  10. Ik lees graag een ___ boek op de bank. (spannend)
  11. Wij tekenen ___ in de tuin. (mooi)
  12. De ___ avond is altijd leuk. (vrij)