A1 · Adjectives & articles
Adjective endings
When does the adjective get an -e?
- Ik heb een ___ huis. (groot)
- De ___ fiets is van mij. (rood)
- Het ___ kind slaapt. (klein)
- Ik woon in een ___ stad. (mooi)
- Dat is een ___ boek. (dik)
- Wij hebben ___ buren. (aardig)
- De koffie is ___. (heet)
- Hij draagt een ___ jas. (wit)
- Ik wil ___ brood. (vers)
- De ___ tafel staat in de keuken. (groot)
- Wat een ___ auto! (snel)
- Ze heeft ___ haar. (lang)