Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Adjective endings

When does the adjective get an -e?

  1. Ik heb een ___ huis. (groot)
  2. De ___ fiets is van mij. (rood)
  3. Het ___ kind slaapt. (klein)
  4. Ik woon in een ___ stad. (mooi)
  5. Dat is een ___ boek. (dik)
  6. Wij hebben ___ buren. (aardig)
  7. De koffie is ___. (heet)
  8. Hij draagt een ___ jas. (wit)
  9. Ik wil ___ brood. (vers)
  10. De ___ tafel staat in de keuken. (groot)
  11. Wat een ___ auto! (snel)
  12. Ze heeft ___ haar. (lang)