Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Comparing: more spelling

Comparative and superlative with tricky spelling.

  1. Deze prijs is ___ dan die prijs. (laag)
  2. Mijn fiets is ___ dan die van Tom. (goedkoop)
  3. Deze jas is ___ dan mijn jas. (dun)
  4. Hij heeft ___ vrienden dan ik. (veel)
  5. Dit is de ___ prijs in de winkel. (goedkoop)
  6. Zij is ___ dan haar zus. (klein)
  7. Dit is het ___ restaurant van de stad. (duur)
  8. Mijn Nederlands is ___ dan vorig jaar. (goed)
  9. Hij is de ___ man in het kantoor. (loud)
  10. Deze winkel is ___ dan die winkel. (druk)
  11. Wij hebben ___ tijd dan jullie. (weinig)
  12. Dit is de ___ dag van het jaar. (warm)