A1 · Adjectives & articles
Describing a house
Adjectives for rooms and furniture.
- Wij wonen in een ___ huis. (klein)
- De ___ kamer is heel licht. (zonnig)
- Mijn ___ buurman groet elke ochtend. (vriendelijk)
- Dit is een ___ flat. (gezellig)
- De keuken is ___ en schoon. (klein)
- Onze ___ badkamer is nieuw. (modern)
- Ik heb een ___ bank. (oud)
- Het is een ___ appartement. (duur)
- Die ___ deur wil ik niet hebben. (wit)
- De tuin is heel ___ in de zomer. (groen)
- Welke ___ kast wil je hebben? (groot)
- Er staat een ___ stoel in de kamer. (houten)