Learn Dutch
A1 · Adjectives & articles

Adjectives: more endings & spelling

After mijn, dit, ons and geen; spelling changes before -e.

  1. Mijn ___ jas hangt in de gang. (nieuw)
  2. Ik heb geen ___ huis. (groot)
  3. Wij hebben een ___ hond. (lief)
  4. Hij draagt een ___ trui. (grijs)
  5. Dit ___ boek is van mij. (oud)
  6. Ik koop een ___ tafel. (houten)
  7. Ik eet een ___ pannenkoek. (dun)
  8. Ik koop die ___ schoenen. (bruin)
  9. Het water is ___. (koud)
  10. Ons ___ appartement is heel gezellig. (klein)
  11. Wat een ___ kat! (dik)
  12. Dat is geen ___ idee. (slecht)