A1 · Prepositions
Hoger en lager in het huis
onder and boven: what is lower or higher.
- De kelder ligt ___ het huis.
- De zolder ligt ___ de badkamer.
- Mijn schoenen liggen ___ de bank.
- De antenne staat ___ het dak.
- De sokken liggen ___ de wasmachine.
- Het balkon ligt ___ de keuken.
- De kat schuilt ___ de tafel.
- De lamp hangt ___ de eettafel.
- Mijn hond ligt ___ de dekens.
- De wolken zijn ___ de stad.
- Er ligt een handdoek ___ de stapel wasgoed.
- De doos staat ___ het bed.