Learn Dutch
A1 · Prepositions

Binnen en buiten

Inside or outside: binnen and buiten.

  1. Het is koud ___ buiten.
  2. De kat wil ___ buiten.
  3. Wij blijven vandaag ___ binnen.
  4. De auto staat ___ buiten het huis.
  5. Wij zijn nog ___ binnen.
  6. De kinderen spelen ___ buiten, want het is mooi weer.
  7. Het is koud, blijf maar ___ binnen.
  8. De rook komt ___ binnen door het open raam.
  9. Mijn fiets staat ___ buiten op de straat.
  10. Mijn oma is liever ___ binnen.
  11. De winkel is ___ buiten de stad.
  12. Er is een nieuwe winkel ___ binnen het centrum.