A1 · Prepositions
Binnen en buiten
Inside or outside: binnen and buiten.
- Het is koud ___ buiten.
- De kat wil ___ buiten.
- Wij blijven vandaag ___ binnen.
- De auto staat ___ buiten het huis.
- Wij zijn nog ___ binnen.
- De kinderen spelen ___ buiten, want het is mooi weer.
- Het is koud, blijf maar ___ binnen.
- De rook komt ___ binnen door het open raam.
- Mijn fiets staat ___ buiten op de straat.
- Mijn oma is liever ___ binnen.
- De winkel is ___ buiten de stad.
- Er is een nieuwe winkel ___ binnen het centrum.