A1 · Prepositions
In the neighbourhood
in de buurt van and dichtbij: near something.
- Mijn huis ligt ___ de school.
- Mijn zus woont in de buurt ___ het museum.
- Ik woon ___ het station.
- Het ziekenhuis ligt ___ van ons huis.
- Er wonen veel mensen ___ het station.
- De bushalte is ___ de supermarkt.
- Het park ligt ___ van ons huis.
- Mijn huis staat ___ het kantoor.
- Wij wonen ___ van de school.
- De winkel is ___ de kerk, om de hoek.
- Er is een bakkerij ___ de school.
- Zoekt hij een huis dicht ___ het station?