Learn Dutch
A1 · Prepositions

In the neighbourhood

in de buurt van and dichtbij: near something.

  1. Mijn huis ligt ___ de school.
  2. Mijn zus woont in de buurt ___ het museum.
  3. Ik woon ___ het station.
  4. Het ziekenhuis ligt ___ van ons huis.
  5. Er wonen veel mensen ___ het station.
  6. De bushalte is ___ de supermarkt.
  7. Het park ligt ___ van ons huis.
  8. Mijn huis staat ___ het kantoor.
  9. Wij wonen ___ van de school.
  10. De winkel is ___ de kerk, om de hoek.
  11. Er is een bakkerij ___ de school.
  12. Zoekt hij een huis dicht ___ het station?