A1 · Prepositions
Weeknummers en weken
in week 3, om de week, van ... tot.
- De toets is ___ week 5.
- Ik werk ___ week 3 en week 4.
- We nemen ___ week 8 een vrije dag.
- De lessen beginnen ___ week 9.
- Deze week is er vakantie, maar ___ week 6 beginnen wij weer.
- Ik sport ___ de week.
- De cursus duurt van week 1 ___ week 12.
- De supermarkt is open van maandag ___ zaterdag.
- De les duurt van tien ___ twaalf uur.
- ___ de week hebben wij het heel druk.
- ___ week 1 krijg je een eigen boek.
- De vergadering duurt ___ half tien tot half elf.