A1 · Prepositions
In welk jaar?
in with years: in 2026, in 1990.
- Ik verhuis ___ 2026.
- Mijn zus studeerde ___ 2019.
- Hij is geboren ___ 1990.
- ___ 1969 kwam de eerste mens op de maan.
- Deze cursus begint ___ 2026.
- Wij zijn ___ 2018 getrouwd.
- De school is ___ 1990 gebouwd.
- Mijn zus gaat ___ 2026 naar de universiteit.
- De film is ___ 2019.
- Mijn oma woont al tien jaar ___ Amsterdam.
- Ik ben ___ 2010 geboren.
- ___ het jaar 1940 begon de oorlog in Europa.