Learn Dutch
A1 · Prepositions

In de zomer, in de winter

in with the seasons of the year.

  1. Wij gaan ___ zomer op vakantie.
  2. Het is koud ___ winter.
  3. ___ herfst is het mooi in het park.
  4. ___ lente zaaien wij de bloemen.
  5. Wij varen ___ zomer in ons huisje.
  6. ___ zomers is het hier erg warm.
  7. ___ winters hebben wij vaak sneeuw.
  8. De school begint weer ___ zomer.
  9. ___ voorjaar worden de bomen groen.
  10. Wij gaan ___ zomer naar de kust.
  11. ___ najaar valt het veel blad.
  12. Met Kerst en Pasen vieren wij het ___ winter.