A1 · Prepositions
In de zomer, in de winter
in with the seasons of the year.
- Wij gaan ___ zomer op vakantie.
- Het is koud ___ winter.
- ___ herfst is het mooi in het park.
- ___ lente zaaien wij de bloemen.
- Wij varen ___ zomer in ons huisje.
- ___ zomers is het hier erg warm.
- ___ winters hebben wij vaak sneeuw.
- De school begint weer ___ zomer.
- ___ voorjaar worden de bomen groen.
- Wij gaan ___ zomer naar de kust.
- ___ najaar valt het veel blad.
- Met Kerst en Pasen vieren wij het ___ winter.