A1 · Prepositions
Na de les, na een jaar
na: something happens later than something else.
- Na ___ les gaan wij naar huis.
- Na ___ eten drinken wij koffie.
- Na ___ jaar spreek ik beter Nederlands.
- Na ___ vakantie komen de kinderen terug.
- De lessen beginnen ___ de vakantie.
- Na ___ lunch gaan de kinderen buiten spelen.
- Na ___ werk ga ik naar huis.
- Na ___ maand is hij beter.
- Na ___ avond eten wij samen.
- Na ___ feest gaan wij naar huis.
- Na ___ eerste les begreep ik veel.
- Na ___ tijdje begon het te regenen.