Learn Dutch
A1 · Prepositions

Over en binnen

over + time (future) and binnen + time (limit).

  1. Ik kom ___ twee weken terug.
  2. De bus komt ___ tien minuten.
  3. Ik ben ___ een uur klaar.
  4. Ik verhuis ___ een jaar.
  5. De tandarts is ___ drie dagen vrij.
  6. Ik ben ___ een maand terug in het land.
  7. ___ twee weken krijg je antwoord.
  8. ___ een half uur is de les voorbij.
  9. ___ een week moet het huis klaar zijn.
  10. ___ een paar dagen kom ik langs.
  11. ___ vijf minuten begint de film.
  12. ___ een maand verhuis ik.