A1 · Prepositions
Over en binnen
over + time (future) and binnen + time (limit).
- Ik kom ___ twee weken terug.
- De bus komt ___ tien minuten.
- Ik ben ___ een uur klaar.
- Ik verhuis ___ een jaar.
- De tandarts is ___ drie dagen vrij.
- Ik ben ___ een maand terug in het land.
- ___ twee weken krijg je antwoord.
- ___ een half uur is de les voorbij.
- ___ een week moet het huis klaar zijn.
- ___ een paar dagen kom ik langs.
- ___ vijf minuten begint de film.
- ___ een maand verhuis ik.