A1 · Prepositions
Om ... heen
om ... heen: all the way around something.
- Er staan tien stoelen ___ de tafel heen.
- Wij lopen ___ het huis heen.
- Ze loopt ___ de winkel heen en komt terug.
- Links ___ de hoek is een bakker.
- Wij geven ___ de tafel heen een feest.
- De kinderen rennen ___ het huis heen.
- Er staan bomen ___ het plein heen.
- Wij praten ___ de tafel heen over het eten.
- Het pad loopt ___ het dorp heen.
- Rechts ___ de hoek staat een bank.
- De fijnste vrienden zitten ___ de tafel heen.
- Wij zwemmen om ___ de boot heen.