Learn Dutch
A1 · Prepositions

Om ... heen

om ... heen: all the way around something.

  1. Er staan tien stoelen ___ de tafel heen.
  2. Wij lopen ___ het huis heen.
  3. Ze loopt ___ de winkel heen en komt terug.
  4. Links ___ de hoek is een bakker.
  5. Wij geven ___ de tafel heen een feest.
  6. De kinderen rennen ___ het huis heen.
  7. Er staan bomen ___ het plein heen.
  8. Wij praten ___ de tafel heen over het eten.
  9. Het pad loopt ___ het dorp heen.
  10. Rechts ___ de hoek staat een bank.
  11. De fijnste vrienden zitten ___ de tafel heen.
  12. Wij zwemmen om ___ de boot heen.