A1 · Prepositions
Op het station, op het plein
op with public places, squares and shops.
- De bus stopt ___ het station.
- Wij wachten ___ het plein.
- Mijn vader werkt ___ kantoor.
- Zij is ___ school.
- Wij kopen fruit ___ de markt.
- Wij zijn ___ het kantoor.
- De vergadering is ___ het plein.
- Mijn vader werkt ___ het ziekenhuis.
- De school staat ___ het plein.
- Hij studeert ___ de universiteit.
- Wij drinken koffie ___ het plein.
- De fietsen staan ___ het station.