Learn Dutch
A1 · Prepositions

Ligen, staan en zitten

The preposition that goes with the position.

  1. Mijn boek ligt ___ het bureau.
  2. De kat ligt ___ het bed.
  3. De sokken liggen ___ de lade.
  4. De wasmachine staat ___ de badkamer.
  5. De bus staat ___ de halte.
  6. Ik zit ___ de bus naar Utrecht.
  7. Mijn moeder zit ___ de bank in de woonkamer.
  8. De spiegel hangt ___ de muur.
  9. De jas hangt ___ de deur.
  10. De vogel zit ___ de tak.
  11. De kinderen zitten ___ de klas.
  12. Het glas ligt ___ het tafeltje.