A1 · Prepositions
Tegen de muur
tegen: leaning or pushed against something.
- De fiets staat ___ de schutting.
- Hij leunt ___ de deur.
- De bal ligt ___ het hek.
- Zij duwt de tafel ___ de muur.
- De fietsen staan ___ de schoolmuur.
- Mijn hoofd rust ___ de koelkast.
- De kat zit ___ de krabpaal.
- Het bord staat ___ de wand.
- Wij zetten de kast ___ de muur.
- De hond duikt ___ het been van de baas.
- De bus rijdt ___ de stoeprand.
- De stoel staat ___ de tafel.