Learn Dutch
A1 · Prepositions

Tegen de muur

tegen: leaning or pushed against something.

  1. De fiets staat ___ de schutting.
  2. Hij leunt ___ de deur.
  3. De bal ligt ___ het hek.
  4. Zij duwt de tafel ___ de muur.
  5. De fietsen staan ___ de schoolmuur.
  6. Mijn hoofd rust ___ de koelkast.
  7. De kat zit ___ de krabpaal.
  8. Het bord staat ___ de wand.
  9. Wij zetten de kast ___ de muur.
  10. De hond duikt ___ het been van de baas.
  11. De bus rijdt ___ de stoeprand.
  12. De stoel staat ___ de tafel.