Learn Dutch
A1 · Prepositions

Aan de kant en aan het einde

aan de kant van, aan het einde van, in het midden van.

  1. Wij staan aan de kant ___ de weg.
  2. De bank staat aan de kant ___ het plein.
  3. Aan het einde ___ de straat is een park.
  4. Aan het einde ___ de film was hij blij.
  5. In het midden ___ de kamer staat een tafel.
  6. De bus rijdt aan de kant ___ de weg.
  7. Aan het einde ___ de les gaan de leerlingen naar huis.
  8. In het midden ___ het plein staat een fontein.
  9. Wij zitten aan de kant ___ het zwembad.
  10. Aan het einde ___ de rij staat een meisje.
  11. In het midden ___ de klas staat een tafel.
  12. Een bankje aan de kant ___ de weg.