A1 · Prepositions
Aan de kant en aan het einde
aan de kant van, aan het einde van, in het midden van.
- Wij staan aan de kant ___ de weg.
- De bank staat aan de kant ___ het plein.
- Aan het einde ___ de straat is een park.
- Aan het einde ___ de film was hij blij.
- In het midden ___ de kamer staat een tafel.
- De bus rijdt aan de kant ___ de weg.
- Aan het einde ___ de les gaan de leerlingen naar huis.
- In het midden ___ het plein staat een fontein.
- Wij zitten aan de kant ___ het zwembad.
- Aan het einde ___ de rij staat een meisje.
- In het midden ___ de klas staat een tafel.
- Een bankje aan de kant ___ de weg.