Learn Dutch
A1 · Prepositions

Kijken, luisteren, denken

Verbs that always take the same preposition.

  1. Ik kijk ___ het raam.
  2. Hij luistert ___ de radio.
  3. Ik denk vaak ___ mijn oma.
  4. Wij wachten ___ de bus.
  5. Hij vraagt ___ een taxi.
  6. Zij helpt mij ___ mijn huiswerk.
  7. Wij beginnen ___ de les.
  8. Hij houdt ___ ijssmaakjes.
  9. Wij kijken naar ___ film.
  10. Hij denkt ___ het antwoord.
  11. Wij wachten ___ de trein.
  12. Zij luistert ___ de leraar.